11-04-2017 Blog Blog

Taalmaatje

“Ik heb mij opgegeven als taalmaatje en na de eerste les vraag ik mij af wie van ons het meest gaat leren van deze ontmoetingen”.

Enige tijd geleden publiceerde de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid een rapport over integratie van vergunninghouders. Het rapport heet ‘Geen tijd verliezen’.  De bevindingen en daarop gebaseerde aanbevelingen kwamen er op neer dat we in Nederland sneller moeten beginnen met werk, taal en andere activiteiten met vergunninghouders én bovendien moeten stoppen met volgtijdelijkheid van deze activiteiten. Doe alles zoveel mogelijk tegelijk. 

Het advies van de WRR past bij de aanpak die Ferm Werk onlangs is gestart. Die aanpak gaat van dezelfde gedachte uit, al formuleer ik het liever wat anders. Uitgangsgedachte is dat wij weten dat je over een jaar zou willen dat je vandaag begonnen was (ja, daar mag u even over nadenken). En.. dat taal, onze taal, van groot belang is voor integratie. Zonder taal is er geen contact. Zonder taal kun je niet verbinden. Zonder Nederlands te spreken wordt de kans op werk en op een zelfstandig bestaan, lastiger. 

Taal wordt op tal van plaatsen in de Ferm Werk gemeenten gegeven en door vele opleiders aangeboden. Het is een versnipperd geheel, waar vergunninghouders soms door de spreekwoordelijke bomen het bos niet meer zien. Maar dat lossen we hopelijk snel op na de kabinetsformatie. Indien niet, dan vind ik het interessant als wij zelf een taalaanbieder worden. Wij kunnen dan gericht, passend in het drukke weekschema van de vergunninghouder taal aanbieden. In de avond en eventueel in het weekend. Een flexibeler programma qua planning, maar ook wat betreft inhoud, namelijk taal leren die past bij de baan waarvoor zij opgeleid worden. 

Met dat taalonderwijs zijn wij overigens spelenderwijs begonnen. Een collega kwam op het idee om andere collegae te vragen wie er taalmaatje wilde zijn. Omdat vele vergunninghouders binnen de muren van Ferm Werk een (deel van het) traject volgen, is het logistiek goed te regelen dat wij in de lunch of theepauze wat taaloefeningen doen met onze medelanders. Op deze sympathieke oproep is massaal gehoor gegeven. De oproep van mijn collega vind ik hartverwarmend, en ook de enthousiaste reacties van andere collega’s zijn fantastisch. Ook ik heb mij aangemeld als taalmaatje. 

Inmiddels heb ik de eerste les gehad. Na een wat stroef begin, hebben we mooie zinnen gedeeld. Na een minuut of tien maakte aarzeling en afwachting (bij hem én bij mij) plaats voor openheid en interesse. Interesse in de taal. Interesse in hoe je beide aan tafel zit. Interesse in elkaar. Dat vond ik mooi en ik zie daardoor uit naar de volgende ontmoeting. We hebben afgesproken eens per week, maar misschien ga ik twee keer per week proberen. En we kunnen muziek gaan maken of een wandeling door onze historische stad. 

Na die eerste les vroeg ik me af wie nu het meest heeft te leren van de ontmoetingen die volgen. Wat ik van mijn maatje ga leren is me te richten op wat hij begrijpt, wat hij nodig heeft. Mijn geduld wordt op de proef gesteld.  Daarvoor zal ik hem dankbaar zijn. Ik ga beseffen dat ik van zijn gebreken moet afblijven als ik niet voor zijn kwaliteiten ga. Misschien hebben meer mensen dat te leren als het om integratie gaat.